De wetgeleerden en de priesters uit het Oude Testament liepen de man, die door rovers overvallen was, achteloos voorbij. Geen van hen hielp hem. “Een Samaritaan, die op reis was”1 echter, een man uit een ander land, een man zonder zonde, Jezus, nam de gewonde man op en zette hem op Zijn rijdier. Zonder twijfel beschrijft dit tafereel de Vleeswording van God en Zijn Nederdaling op aarde. Hij, de Zondeloze, bevrijdt ons uit de handen van rovers, neemt ons op en brengt ons Huiswaarts.

Hij, die in de handen van de rovers gevallen was, wordt naar de herberg, d.i. de Kerk gebracht, waar de opdracht wordt gegeven hem goed te verzorgen. De Samaritaan biedt de waard van de herberg twee muntstukken aan, d.i. het Oude en het Nieuwe Testament. Het Oude Testament is de Wet, aanzet tot de bekering en het berouw en bijtend als wijn op een wonde. Het Nieuwe Testament is de Genade van de Zeven Mysteriën, die uit Christus, de Boom des Levens, vloeien, heilzaam als olie, die de wonde zuivert en de bijtende pijn verzacht. Beide Testamenten helen de gewonde mens volledig.

“Het overvallen worden door rovers is de zondeval, die de mens uit de Hemel naar de aarde verbant.”2   Het is de val uit de volmaaktheid. “Zodra de mens het gebod had overtreden, begon de mens langzamerhand de redeloosheid van de dieren op zich te nemen. Toen de mens zijn waardevolle rede verloren zag gaan, werd de menselijke natuur belaagd door de dierlijke lusten, waartoe de mens zich uit vrije wil liet overhalen. God stond dit toe, zodat de mens als vrij denkend wezen zijn oorspronkelijke aard en ware grootheid bewust zou (kunnen) worden.”3   Dat was het ogenblik, waarvan het Oude Testament getuigt: “De Heer God maakte voor de mens en voor zijn vrouw klederen van vellen en bekleedde hen daarmede.”4

De menselijke, lichamelijke geboorte is een gevolg van de zondeval. Volgens de Heilige Vaders en Maximus de Belijder in het bijzonder, zou het verwekken van kinderen op een andere wijze zijn verlopen, indien de zondeval niet had plaats gevonden: hartstochtloos en zonder zonde.

“Als gevolg van de zonde(val) moest Adam sterven. Hiermee werd het bestaan van de mens als Goddelijk en Eeuwig schepsel bedreigd. God echter, Die de tijd overschouwt en de eeuwen doorziet, schonk de mens de gelegenheid zich uit de verderfelijkheid te bevrijden, maar legde hem als straf wel een lichamelijke geboorte op, getekend door zonde en pijn.”5  De zonde vindt haar oorsprong in de lust en hartstocht voor deze lichamelijke vorm van geboorte: het is een Goddelijk Besluit om de menselijke natuur te straffen. De menselijke natuur en de menselijke wil werden een echtpaar in een moeilijk huwelijk. Hoe meer de menselijke natuur ernaar streefde zich dit leven voort te zetten, hoe meer de menselijke natuur door de ketting der zonde gewurgd werd en de dood naderbij kwam. Zo werd de mens verplicht te strijden tegen de dood, die hij uit vrije wil had aangeraakt en opgewekt.

Het geestelijke verlangen naar God werd een lichamelijk verlangen naar hartstocht en begeerte. De menselijke geest verduisterde, verwijderde zich van God, dompelde zich in een dwaalhof van gevoelens, beschouwde elk plezier als goed en ontvluchtte elke pijn als kwaad. Plezier is echter de hinderlaag, waarin rovers de mens overvallen tijdens zijn tocht van het hoger gelegen Jeruzalem naar het lager gelegen Jericho.

Alle geestelijke krachten van “de overste van de macht der lucht en van de geest, die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid”6  houden deze weg in de gaten en wachten er om de menselijke natuur te verzwakken en te verwonden met verlangen en boosheid. De menselijke wil wordt gedwongen zich enkel te richten op het plezier, de verleiding van de duivel, en de last van zich af te schudden,die God hem als straf had opgelegd, nl. kinderen te baren in pijn. De geest, die eertijds God aanschouwde, is thans een tempel geworden van vele afgoden, van veelsoortige verlangens: er is geen plaats meer voor de Ene en Ware God. Of zoals Joannes in zijn Evangelie schrijft: “De overste der wereld komt en heeft aan Mij niets.”7  De geest is niet meer bij machte om in zich Gods Beeld te koesteren en geeft zich over aan een cocktail van gevoelens en fantasieën. “Ik wil aan Hem niet meer denken en in Zijn Naam niet meer spreken.”8  De geest, die eens “de haard was, waar God als een brandend vuur oplaaide”9, ontvlamt nu voor eigen fantasiebeelden en verzonnen verlangens en wordt “beheerst door een verstikkende en hartstochtelijke band met de zintuigen.”10  De keuze van de geest voor het zintuiglijke plezier activeerde “de tragische wet van de zonde, waarbij God tot de lichamelijke dood besloot, zodat het kwade niet onsterfelijk kon worden.”11  Vanaf dat ogenblik neigt de menselijke geest voortdurend naar deze onrust, die tegen de originele, menselijke natuur van vóór de zondeval ingaat.

Maximus de Belijder zegt: “De wet van het vlees is het vuur van de schande.”12  De vonk, die de gewoonte van de hartstochten ontsteekt, is het licht van de schande. Zodra hartstochten actief worden, is het resultaat verschrikkelijk. Samengevat: zonde is het vuur der schande, het licht ervan is de gewoonte tot zondigen en de vlam ervan is de uitwerking of het resultaat. Laat ons dus te allen tijde beletten dat onze geest door dit vuur wordt opgewarmd, door dit licht wordt verlicht en door zo’n vlam wordt verteerd. “Wat licht lijkt voor de zintuigen, is in wezen een donkere afgrond voor de geest. (…) De zintuigen worden bedrogen en leiden het lichaam tot het verderf.”13  De menselijke geest, door de zintuigen beïnvloed, stelt zich niet alleen vijandig op tegenover de natuur, maar ook tegenover God en geeft daarom ook enkel de raad van de rovers, die de mensen overvallen op de weg van Jeruzalem naar Jericho, d.i. de mensen, die op aarde geboren worden. “Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God, want het [vlees] onderwerpt zich niet aan de Wet Gods. Trouwens, het [vlees] kan dat ook niet. Zij die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen.”14   

Heeft de komst van Christus op het bruiloftsfeest te Kana in Galilea daarom geen diepere betekenis? Is het niet wonderlijk dat het eerste bewijs van Zijn Goddelijkheid gebeurt op een huwelijksfeest? Is dat geen teken dat God voortaan bij elk huwelijk aanwezig is? Heeft God geen inspraak in de wijze waarop biologie, d.i. de kennis van het leven, moet worden benaderd? Heeft God in deze zaken niets te zeggen, geen rol van betekenis te spelen? Heeft God aan de wereld Zijn Wetten gegeven en Zich daarna teruggetrokken? Of sluiten de natuurwetten God uit? Waarom werd het huwelijk verheven tot één van de Zeven Heilige Mysteriën en werd aan de Kerk de zorg, de verantwoordelijkheid en de rechten van de kinderen toevertrouwd, als vruchten van deze Mysteriën en volle bloesemknoppen vol leven? Is dit voor deze kinderen geen voldoende reden om niet langer zonen van de leugen en de demon te zijn, maar opnieuw (aangenomen) zonen van God te worden, die naar lichaam en geest volkomen gezond zijn? Door het lezen van de volgende paragrafen zullen we de invloed en draagwijdte van deze stroom van vragen ten volle beseffen. Hiervoor echter is wat kennis van biologie noodzakelijk.


1  Luc. 10,33
2  Liturgikon
3  Maximus de Belijder, Tegen Thalassius
4 Gen. 3,21
5  Maximus de Belijder, Tegen Thalassius
6  Efe. 2,2
7 Jo. 14,30
8 Jer. 20,9
9  Maximus de Belijder, Tegen Thalassius
10  Euchologion
11  Euchologion
12 Maximus de Belijder, Tegen Thalassius
13  Maximus de Belijder, Tegen Thalassius
14  Rom. 8,7-8
11  Euchologion
12 Maximus de Belijder, Tegen Thalassius

Gastenboek

Laat een bericht achter in ons gastenboek!

gastenboek

Ga naar boven