ZACHEÜS DE TOLLENAAR

Lukas 19:1-10

Zij, de ‘rechtvaardigen’, oordeelden zowel Jezus als Zacheüs.

Zij oordeelden Jezus omdat Hij Zich niet ‘heilig’ hield, maar zich ‘verlaagde’ en met Zijn komst een zondaar eerde; en de zondaar werd als onwaardig tegenover Jezus geoordeeld.

“Zacheüs nu ging staan en zei tegen de Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik aan de armen, en als ik van iemand iets heb afgeperst, geef ik dat vierdubbel terug.”

Hieruit blijkt dat wanneer de mens zichzelf terechtwijst terwijl hij zich ‘tegenover de Heer’ bevindt, de lasteraars tot zwijgen worden gebracht.

Maar de Heere bracht hen ook tot zwijgen door te zeggen: “Heden is dit huis zaligheid ten deel gevallen, omdat ook deze een zoon van Abraham is.”

Als de Heer tot je komt, ben je overal van bevrijd, niet alleen van je ongerechtigheden, maar ook van al je gerechtigheden. Als je je ‘tegenover de Heer bevindt’, sta je boven deze wereld, boven de rijkdom van de wereld, boven het geklets en geklaag van het leven; – je hebt, in één woord, iets van Gods bovenwereldlijke vrede in handen.

Bovendien kun je nooit ‘tegenover God’ komen te staan voordat je alles wat Caesar toekomt, aan Caesar teruggegeven hebt.

Vanaf hier neemt de heiligheid haar aanvang.

 

Uittreksel uit: Vader Arsenie Boca - "Levende woorden", Charisma Publishing House, Deva, 2006, pp. 25.

 

Lukas 19:1-10.

 

19:1 En Jezus kwam Jericho binnen en ging erdoorheen.

19:2 En zie, er was een man van wie de naam Zacheüs was, en hij was oppertollenaar en hij was rijk.

19:3 En hij probeerde te zien wie Jezus was, maar het lukte hem niet vanwege de menigte, omdat hij klein van persoon was.

19:4 En na vooruitgelopen te zijn, klom hij in een wilde vijgenboom om Hem te zien, want Hij zou daar voorbij komen.

19:5 En toen Jezus bij die plaats kwam, keek Hij op, zag hem en zei tegen hem: Zacheüs, haast u en kom naar beneden, want heden moet Ik in uw huis verblijven.

19:6 En hij haastte zich en kwam naar beneden en ontving Hem met blijdschap.

19:7 En allen die het zagen, morden onder elkaar en zeiden: Hij is bij een zondige man binnengegaan om daar Zijn intrek te nemen.

19:8 Zacheüs nu ging staan en zei tegen de Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik aan de armen, en als ik van iemand iets heb afgeperst, geef ik dat vierdubbel terug.

19:9 Toen zei Jezus tegen hem: Heden is dit huis zaligheid ten deel gevallen, omdat ook deze een zoon van Abraham is.

19:10 Want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren is.

 

Leerwoord

Gastenboek

Laat een bericht achter in ons gastenboek!

gastenboek

Ga naar boven